Ze hebben me mn jeugd afgenomen
Oorlogsverhalen rond de Langedijk

mevrouw Gutter-Pluister.
Mevrouw Gutter-Pluister, van 2 juli 1922, heeft heel duidelijk één ding het ergste gevonden van de oorlog: ,,Ze hebben me mijn jeugd afgenomen. Ik was bijna achttien bij het begin van de oorlog. Dat is een leeftijd van uitgaan, discussiëren en je mening vormen. Van spontaan zijn en zeggen wat je ergens van vindt. Dat mocht allemaal niet meer. Dat vond ik erg. Niet in het eerste jaar, daarna begon het pas. Je leerde niemand te vertrouwen en heel goed liegen. Je hoorde en wist niets, je vertelde ook niets. Je verrader kon overal zijn! Op een vakantiereisje naar Gaasterland zat ik gezellig met vriendinnen in een bus. We voelden ons even los van alles en zongen spontaan allerlei liedjes, ook een paar ‘verkeerde’ in de ogen van de Duitse bezetter. Toen we bij de boer aankwamen, waar we sliepen, kwam ’s avonds de politie aan de deur. We moesten allemaal onze persoonsbewijzen inleveren. Die gingen mee naar het politiebureau. Door bemiddeling van de boer liep het met een sisser af. Die was wel kwaad; hoe kunnen jullie dat nu doen? Straks krijg ik ook nog last. Had er dus iemand in die bus gezeten die ons had aangegeven. Tegenwoordig begrijpen de mensen niet hoe ingrijpend het is je niet vrij te voelen. Ik besef nu steeds meer dat ik me toen niet heb kunnen ontwikkelen. Ik had gelukkig begin 1940 mijn man Kees Gutter al leren kennen. Dat gaf gezelligheid thuis, want je moest ’s avonds verplicht op tijd binnen zijn. Je kon dus nergens heen. Later werd alles echt beroerd. Toen zaten we met zijn allen in het kleinste kamertje voor de warmte. Er was één lichtpitje, die je trappend op een fiets om beurten aan moest houden. Honger heb ik niet gekend in de oorlog. Ik zag wel wat het was in de Hongerwinter, toen mensen voor voedsel langs de deuren gingen. Toen werden de razzia’s ook erger. Als mijn vader iets had gehoord, moest ik op de fiets naar verschillende adressen om te waarschuwen. Soms was dat ’s-ochtends heel vroeg. Mijn man ging ’s avonds vaak op pad, ‘even een klussie doen’. Als hij terug kwam, soms heel laat, vroeg niemand wat. Hij zei zelf ook niets. Later bleek dat hij bij de ondergrondse was! Toch gek toen ik hem na de bevrijding opeens met een overall zag staan van de Binnenlandse Strijdkrachten, met een oranje band om zijn bovenarm. Hij heeft er uit zichzelf nooit over verteld, wel als ik of de kinderen er naar vroegen. Het hield hem niet meer bezig denk ik. Volgens mij was zoiets ook beter vol te houden, als je er gevoelsmatig niet te intens mee bezig was. Dan zet je het sneller van je af.” Ze laat me de oranjeband en andere herinneringen zien, netjes bewaard in een sigarendoos. Ik mag ze mee om te bestuderen. Als ik ze terug breng, gaan ze daar weer in. Om te blijven herinneren door ze elk moment weer te kunnen pakken.
 

   


Arie Kaan

Dit verhaal is op 25 april gepubliceerd in het Langedijker Nieuwsblad