Duitsers op sleeptouw zonder humor
Oorlogsverhalen rond de Langedijk

Jan Wijn.
Jan Wijn is in 1926 aan de Kroonstraat in Oudkarspel geboren. Met zijn vrouw Lien bleef hij daar tot 2001 wonen, waarna ze naar Noord-Scharwoude verhuisden. ,,Nôh oigelek beurde d’r niet zo bar veul”, begon Jan in zijn West-Friese voorkeurtaal. Maar al snel kwamen de verhalen los. Bij het uitbreken van de oorlog was hij nog geen veertien jaar en zich niet bewust van de oorlogsdreiging. Zijn vader, die regelmatig naar NVV-vergaderingen in café Bakhuis bij de sluis ging, vertelde dat er daar wel degelijk over werd gesproken. De school waar oudere Duitse soldaten van boven de vijftig waren ingekwartierd noemde jonge Jan het 'bejaardenhuis'. ,,Die moesten nog leren fietsen. Er werd een lang touw achter een auto gebonden, dat de Duitsers op hun ongetwijfeld gevorderde fietsen vasthielden. De auto was over de sluisbrug, de fietsers niet, want boven op de brug klemde het touw waardoor het hele spul over elkaar heen rolde. Ingehouden leedvermaak voor ooggetuigen was geboden, want die fietslessende Duitsers zagen daar de humor bepaald niet van in." Op 2 december 1943 om acht uur ’s-avonds werd Oudkarspel opgeschrikt. Een aangeschoten Engelse bommenwerper loste zijn bommen pal achter de Dorpsstraat vlakbij de genoemde sluis. Drie woningen werden totaal verwoest en een groot aantal zwaar beschadigd. In een straal van honderden meters sneuvelden ramen en vlogen dakpannen in ‘t rond. Ook het huis van de familie Wijn stond te trillen en de bakjes schoten uit de gortla. Jan werkte in de zuurkoolfabriek van Hart. ,,Na de lagere school ging je immers gelijk aan het werk. Daar werkten ook onderduikers uit Kalverdijk. Zij kregen zeven en een halve gulden minder loon omdat ze bij controles moesten duiken. Had je geen werk, dan werd je tewerkgesteld." Jan deed graafwerk voor een elektriciteitskabel die de Duitsers dwars door het Geestmerambacht aanlegden, van Kalverdijk naar Bergen. Buiten Bergen, bij De Franschman, was hij ook aan de slag. ,,De schoppen waren van slechte kwaliteit en met een handigheidje vouwde je die dubbel. Lopend naar Bergen een nieuwe halen, dan was je lekker twee uur weg. Het was wel zaak dat ruim vóór of pas na het middageten te doen, anders had je die dag niks te eten." Om te eten hadden de meeste Langedijkers een groentetuin. Vlees en brandstof werden schaars. Zodoende gingen mensen konijnen en kippen houden. Bij Jan thuis hadden ze een geit voor de melk. ,,Tuinders moesten een deel van de oogst aan de bezetter afstaan. Bij het zichten van de tarwe werden bossen stiekem eerst uitgeslagen op een kleed. Bij de dorsmachine resulteerde dan dus een schrale oogst." Als brandstofvervangers verdwenen bomen uit het dorpsbeeld. ,,Je kon nogal ongestoord zagen langs de Nieuwe Weg (N504). Met de schuit en gewapend met een grote trekzaag gingen we er dan op uit. Paniek als de boom op de weg lag en er plotseling in het donker een auto met verduisterde koplampen te laat werd opgemerkt. Soms werden de houtzagers betrapt. Als dat door een veldwachter was, dan kwam je er zonder straf vanaf; wel moest je het hout inleveren. Veldwachters zaten er dus altijd warmpjes bij."
 


Hans de Graaf 

Dit verhaal is op 18 april gepubliceerd in het Langedijker Nieuwsblad