Noord-Scharwoude

Locatie: noordzijde van het punt waar de Charlotte de Bourbonstraat en de Willem de Zwijgerstraat elkaar ontmoeten

Meteen na de oorlog ontstonden in heel Nederland tal van plaatselijke initiatieven om te komen tot het oprichten van monumenten ter nagedachtenis van omgekomen militairen en verzetstrijders.

Om een en ander in goede banen te leiden werd een Stichting Nationale Oorlogsmonumenten ingesteld, onder leiding van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (OKW). De burgemeester van Langedijk doet een beroep op de oud-illegaliteit om tot een plaatselijk comité te komen. In november 1947 wordt het comité geïnstalleerd. Het Centraal Oranje Comité speelt een belangrijke rol bij het inzamelen van geld ten behoeve van een nog op te richten monument.

Intussen hadden burgers van Langedijk meteen na de capitulatie van Duitsland het initiatief genomen om een monument op te richten en aannemer Dirkmaat werd verzocht een eerste schets te maken voor een uitvoering in ‘blank eikenhout’. En zo werd een “voorlopig eenvoudig gedenkteken” onthuld in mei 1946.

Achteraf gezien is dit een waardevol intitiatief geweest, want het definitieve monument heeft lang op zich laten wachten: pas op 23 mei 1957 werd het definitieve monument geplaatst. Al die jaren heeft het ‘voorlopige monument’ gediend als plaats van herdenking. Dat voorlopige monument stond op de kruising van de Dorpsstraat en wat nu de N504 is (toen nog Provinciale Weg geheten) en wel op de noordwest zijde van dat kruispunt.

Het definitieve monument kwam te staan aan de Charlotte van Bourbonstraat. Overigens hebben de twee monumenten feitelijk nog tot 1970 naast elkaar bestaan.

Tot 1970 vond de jaarlijkse herdenking plaats bij het voorlopige monument.

In 1968 werd vastgesteld dat het houten monument ernstig in verval was geraakt en in 1970 verviel de provinciale vergunning waarmee definitief een eind kwam aan het voorlopige monument. Waarom duurde het zo lang voor dat er een definitief monument kwam? Dan moeten we weer even terug in de tijd.

In 1949 had het Centraal Oranje Comité al circa 4500 gulden ingezameld, een voor die tijd aanzienlijk bedrag. Men begon voortvarend te zoeken naar een beeldhouwer in overleg met de Nederlandse Kring van Beeldhouwers. Deze Kring adviseerde om contact op te nemen met beeldhouwer Roosenburg in Eijsden, Zuid-Limburg. Een afvaardiging van vier man van het Centraal Oranje Comité bracht een bezoek aan de kunstenaar.

Het was pas oktober 1953 toen het Comité de beeldhouwer definitief opdracht gaf om aan de slag te gaan. In 1954 kwam Roosenburg naar Langedijk om aan burgers en de gemeenteraad uit te leggen hoe hij tot zijn ontwerp was gekomen. Zijn keus was bepaald op een beeld van een stier. De stier is door de eeuwen heen gezien als een symbool van levenskracht en vitaliteit. Hier werd de stier met pijlen doorboord, waarmee de aanval op het leven in vrijheid werd verbeeld. Getroffen door de pijlen ontsteekt de stier in woede en tracht hij zich de pijlen uit het lijf te rukken, waarmee wordt uitgedrukt: ik ben wel getroffen maar niet verslagen, ik vecht door ! De toelichting van Roosenburg was volgens de meeste aanwezigen uiterst verhelderend, maar tot verbijstering van velen verwierp de gemeenteraad in 1955 het voorstel. De raad meende dat ‘de stier’ vooral de bevrijding uitbeeldde en te weinig een weerspiegeling was van lijden en dood van de verzetstrijders. Een bijkomend argument was dat de toen gekozen plek als onpraktisch werd gezien. Het beeld zou namelijk op het pleintje tegenover het Gemeentehuis komen te staan, toen nog aan de Dorpsstraat waar nu een aantal winkels zijn gevestigd. Een defilé zou op die plek niet goed mogelijk zijn. Men was terug bij af en de beeldhouwer kon niet veel anders dan zijn kunstwerk in de bronsgieterij in Haarlemmerliede laten staan. Als het beeld niet zou worden geplaatst zou hij in elk geval een factuur van vijfduizend gulden indienen, conform de opdracht die hij in oktober 1953 kreeg.

Na nog twee jaar van wikken en wegen in verschillende vergaderingen werd het advies gevraagd van de provinciale stedebouwkundige mevrouw Ir. Van den Ban als een soort van ultieme poging uit het slop te geraken. Haar brief  van 30 mei 1956 is een fraai voorbeeld van diplomatie en ze slaagde er in de patstelling te doorbreken, meteen gaf zij aan dat het beeld beter geplaatst kon worden aan de Charlotte van Bourbonstraat waar deze de Willem de Zwijgerstraat ontmoet.

Op 4 juli 1956 gaat de Gemeenteraad in een besloten zitting akkoord met haar voorstel en kan eindelijk het beeld een plaats krijgen en een hoofdstuk worden afgesloten.

Zoals gezegd werd het beeld onthuld op 23 mei 1957.